Kijkend naar de parade van polderfiguren die een voor een aanschoven aan de formatietafel, zou je kunnen zeggen: business as usual, de Nederlandse politiek herpakt zich. Het inmiddels enthousiast bewierookte ‘midden’ en de talloze ‘partners’ daaromheen vlijen zich in de oude rollen en timmeren manmoedig een kabinet in elkaar na twee jaar van chaos en stilstand van het meest rechtse kabinet dat dit land ooit kende.


Maar schijnt bedriegt. Want ja, het initiatief voor een nieuw kabinet ligt misschien bij twee middenpartijen (inmiddels vergezeld door de VVD), maar dat wereldje is inmiddels kleiner dan het ooit was. In ieder geval electoraal. Nederland bevindt zich al 36 jaar in een slingerbeweging, schreef politicoloog Tom van der Meer daags na de verkiezingen in dit weekblad. ‘Lange periodes van middencoalities worden afgewisseld door korte en instabiele oprispingen van radicaal-rechts’.


Het probleem? ‘De pendule zwaait steeds minder ver terug’. Een allengs kleiner midden moet een politiek systeem overeind houden dat steeds gretiger wordt bedreigd.
Precies die notie vormde de basis van de politieke inzet van partijen als D66 en het CDA. Bontenbal wilde de ‘cirkel van de gebroken beloftes’ doorbreken en daarmee de voedingsbodem voor populisme weghalen. Rob Jetten had eveneens ingezet op ‘het kan wél’.
Over pendules gesproken. Oók het kabinet-Rutte IV vertrok met torenhoge ambities. Het werd gevormd rond het idee dat burgers weer moesten gaan geloven dat Haagse dromen ook in daden kunnen worden omgezet. Het vertrouwen moest ‘hersteld’ worden, stond er in de inleiding.
Nadat dit laatste Rutte-kabinet na twee jaar werd opgeblazen zegde Nederland het vertrouwen op en hielp het rechts-radicalen aan de macht. Kabinet-Schoof kreeg een helder rechts profiel en mocht vanuit die positie antwoorden formuleren op de problemen van onze tijd, zonder last te hebben van ‘waterige compromissen’.
De grootste prestatie, blijkt nu, was vooral obstructie en vertraging. Het was een lange serie verbroken beloftes.
Dat maakt ze overigens niet per se onsuccesvol. BBB-landbouwminister Femke Wiersma heeft stikstofbeleid met vele jaren uitgesteld en lijkt, nog even hangend aan de macht, haar argrarische achterban nog een laatste cadeautje te gunnen door niets te doen aan steeds viezere beken en sloten.


De onderzoeksjournalisten van platform Investico onthulden begin dit jaar in De Groene dat het kabinet-Schoof vooral werd gekenmerkt door ‘afbraak’. Er kwamen taboewoorden, er werden departementen ontmanteld en het mes ging stevig in onderwijs.


Wie in die tijd de memoires van Marjolein Faber las, ze kwamen in september uit, leest hoe ze haar eigen ambtenaren van het COA het liefst volledig had afgeschaft. ‘Als ik meer tijd had gehad was ik hier zeker mee gestart’.
Het tekent een kabinet dat vooral gedreven werd door rancune; rancune gericht op een vermeende ‘linkse elite’, die net als dat midden kleiner is dan ooit, maar nog altijd overal de schuld van krijgt en in de hoofden van huidige regeringsleden een mythische omvang kent. ‘Het idee dat er een linkse elite is die de instituties domineert, blijft rondzingen in politiek en media’, schreef socioloog Merijn Oudenampsen in een reconstructie van hoe het elite-frame sinds de jaren negentig aan links is gaan kleven en dé achilleshiel is geworden voor die stroming.


Inmiddels hebben ze ‘links’ zo erg in de hoek gedreven dat de architecten van de fusiepartij GroenLinks-PvdA zich in besloten kring afvragen of ze bij het kiezen van een nieuwe partijnaam niet beter het woord ‘links’ helemaal kunnen weglaten.
Het is een zoveelste trofee voor rechts-radicalen die zo’n kwart eeuw geleden begonnen aan hun gestage opmars. Marijn Kruk, schrijver van het boek Opstand, trok, nadat hij de wereld had over gereisd om te zoeken naar de intellectuele wortels van het rechts-radicalisme, door ons eigen land om te zien hoe Geert Wilders inmiddels in iedereens handelen en denken is gekropen.


Hoe nu verder? Op het eerste oog lijkt Den Haag helemaal anders. Invloedrijke politici van weleer, zoals Caroline van der Plas, vechten vanuit het kabinet om relevantie (lees dit fantastische stuk van Kim van Keken over hoe BBB langzaam splijt), terwijl een man als Rob Jetten, die lange tijd enige onzichtbaarheid genoot, onderweg is naar het Catshuis.
Wie uitzoomt, moet iets anders vaststellen: Nederland is sinds de val van het kabinet-Rutte IV in 2023 ideologisch niet wezenlijk van kleur verschoten. Radicaal-rechts bezet inmiddels zo’n derde van het aantal Kamerzetels, links is gedecimeerd en verdrietig, en een paar manmoedige centrumpolitici proberen er het beste van te maken.


Lees ook:

















